Handleiding

Een gezelschap samenstellen

Een gezelschapsbak is meer dan een verzameling verenigbare soorten. De bezetting wordt bepaald door de beschikbare zwemruimte per zone, door de groepsgrootte die elke soort nodig heeft, en door de overlap in temperatuur en zuurgraad tussen alle bewoners.

Zones verdelen

Vissen bewonen doorgaans één laag van de waterkolom. Danio's en pinguïnzalmen blijven bovenin, karperzalmen en barbelen in het midden, pantsermeervallen en modderkruipers op de bodem. Een bezetting die alle zones bezet oogt levendiger en benut de ruimte beter dan drie scholen die om dezelfde laag concurreren.

Bodemoppervlak weegt zwaarder dan inhoud. Een hoge, smalle bak van honderd liter biedt minder bruikbare ruimte dan een lage, brede bak van dezelfde inhoud.

Groepsgrootte

Scholende soorten vertonen hun natuurlijke gedrag pas vanaf acht tot tien dieren; in kleinere groepen blijven zij schuw of richten zij hun rangordedrang op medebewoners. De sumatraan staat bekend als vinbijter, maar bijt vooral wanneer hij met te weinig soortgenoten wordt gehouden.

Bij haremvormende soorten, zoals de meeste Apistogramma-soorten, hoort één mannetje met meerdere vrouwtjes, elk met een eigen schuilplaats. Bij paarvormende cichliden verdwijnt het overtollige deel van de groep zodra zich een paar vormt.

Waterwaarden afstemmen

Soorten kunnen alleen samen wanneer hun temperatuur- en pH-bereiken elkaar overlappen. Een discus bij 30 °C en een marmerpantsermeerval, die boven 26 °C op termijn achteruitgaat, sluiten elkaar uit ondanks een vreedzaam karakter.

Wanneer bereiken elkaar net raken, wordt de instelling in het midden van de overlap gekozen. Dat is doorgaans beter dan één soort aan de rand van zijn bereik te houden.

Grootteverschil

De vuistregel luidt dat alles wat in de bek past, uiteindelijk als voedsel wordt beschouwd. Een volwassen maanvis eet neonzalmen, ook als zij samen zijn opgegroeid. Reken bij de beoordeling met de volwassen lengte van beide soorten, niet met de maat waarin zij worden verkocht.